Bijbelstudie naar aanleiding van Mattheus 12: 22-37

Bijbelstudie dd 13 september 2020

Dit stukje gaat over het lasteren tegen de Heilige Geest.

We lezen vandaag opnieuw een stukje, dat uitnodigt tot misbruik. Je kunt het gebruiken om mensen bang te maken en naar je hand te zetten. Omdat er allerlei preken rondgaan op internet goede en slechte kan het nooit kwaad om van tijd tot tijd de zaken weer eens duidelijk te stellen.

Laten we het stukje van vandaag in gedeeltes lezen

Mattheus 12: 22-23

Toen bracht men een bezetene tot Hem, die blind en stom was. En Hij genas hem, zodat de stomme sprak en zag. En al de scharen waren buiten zichzelf en zeiden. Dit is toch niet de zoon van David?

De uitroep van de scharen eindigt met een vraagteken. Maar het lijkt er op, dat ze het wel als vraag zeggen, maar in feite bedoelen als constatering. Kijk ook maar naar wat er hiervoor is gebeurd en gezegd. Mattheus 12: 9-14 de genezing op de Sabbat. en direct daarop vele genezingen. En dan nu weer een niet te ontkennen wonderlijke genezing. De schare is overtuigd. Dat blijkt ook uit de reactie van de Farizeeën in het volgende vers vers 24

Maar de farizeeën hoorden het en zeiden : Deze drijft de boze geesten slechts uit door Beëlzebul, de overste der geesten.

Vers 24 begint niet voor niets met “maar”Het geeft een tegenstelling weer. Terwijl de schare op zijn minst bereid is te geloven, dat Jezus de Zoon van David en dus de Messias is, gaan de farizeeën daar lijnrecht tegen in. Kennelijk durfden ze het Jezus ook niet in zijn gezicht te zeggen, want vers 25 geeft een nieuwe tegenstelling weer. Hoewel zij Hem niet rechtstreeks een verwijt durfden te maken kent Jezus hun gedachten vers 25. En Nu wordt het belangrijk: Maar Hij kende hun gedachten en zeide tot hen : Ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat ten onder en geen stad of huis, tegen zichzelf verdeeld, zal standhouden.

Als we het volgende gedeelte en dat is vanaf vers 25 tot en met 37 goed willen begrijpen moeten we eerst weten tegen wie Jezus spreekt. De Bijbel is heel duidelijk: Hij zeide tot hen nl de farizeeën. Jezus spreekt hier niet tot de schare. Zij waren bereid Hem te geloven. Zij sputterden niet tegen en dus treffen de volgende verwijten hen niet ( en dus ook ons niet) Jezus zelf maakt het tegen het einde van zijn toespraak ook nog ene keer duidelijk is vers 34 “adderengebroed” Johannes had hen al een keer zo genoemd (mattheus 3:7) in mattheus 23:33 gebruikt Jezus opnieuw deze naam uitsluitend voor de schriftgeleerden en farizeeën .

Als we beginnen ons dat te realiseren dan begrijpen we de rest beter .

We lezen nu vs 26 t/m 30

En indien de satan de satan uitdrijft, is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn koninkrijk kunnen standhouden? En indien ik door Beëlzebul de boze geesten uitdrijf door wie doen uw zonen het dan? Daarom zullen zij rechters over u zijn. Maar indien Ik door de Geest Gods de boze geesten uitdrijf dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen. Of hoe kan iemand het huis van de sterke binnengaan en zijn huisraad roven als hij niet eerst de sterke heeft gebonden.? Dan zal hij zijn huis plunderen (m.a.w. Ik Jezus heb de sterke d.i. satan verslagen en daarom kan ik zijn huisraad de gebondenen bevrijden) Wie met Mij niet is, die is tegen Mij en wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit.

Wat wil dit vers 30 precies zeggen? Wel, dat je altijd een keuze maakt, of je gelooft wel en dan ben je met Hem of je gelooft niet (je bent niet met Hem) er is geen grijs gebied of je leeft met Jezus of je verwerpt Hem.

Ver 31 t/m 32

Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal de mens vergeven worden, maar de lastering van de Geest zal niet vergeven worden. Spreekt iemand een woord tegen de Zoon des mensen het zal hem vergeven worden, maar spreekt iemand tegen de Heilige Geest het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw noch in de toekomende.

Dat klinkt griezelig toch. Maar zie tegen wie Jezus heeft het. Het is tegen de farizeeën en wat deden die? Zij verwierpen de Heilige Geest. Zij draaien de zaak om. Niet de Heilige Geest werkt in Jezus, maar zij zeggen dat het de satan is. Als je wat goed is kwaad noemt en omgekeerd dan wil je je niet onderwerpen. Let maar op naar wat Jezus hierna zegt:

Vs 33 Acht de boom goed, maar dan ook zijn vrucht of acht de boom slecht, maar dan ook zijn vrucht want aan zijn vrucht kent men de boom. M.a.w als je iets goeds ziet gebeuren besef dan dat het uit iets goeds voortkomt. En dat is waar de farizeeën ontsporen. Ze zien wel de goede vrucht, maar noemen de boom slecht. Dat is spreken tegen de Heilige Geest. Je ziet dat het goed is, maar je noemt het slecht. Daarom kan een gelovige Christen, wat anderen ook zeggen niet zondigen tegen de Heilige Geest, omdat we allemaal als we God zien optreden dat ook aan God geven.

Vs 34 en 35

Adderengebroed hoe kunt gij die slecht zijt iets goeds zeggen Want uit de overvloed des harten spreekt de mond ( ma.w. een slechte boom brengt slechte vrucht voort) Een goed mens brengt uit zijn goede schat goede dingen voort en een slecht mens uit zijn boze schat boze dingen. Als je je hart aan Jezus hebt gegeven, dan heeft Hij jou een nieuw hart gegeven. Dat gebeurt bij de wedergeboorte. Je krijgt een nieuw hart en dat brengt goede dingen voort ( we zondigen misschen wel, maar over het algemeen komen er goede dingen uit ons, omdat Gods Geest in je hart woont.

Vs 36 en 37

Nu wordt het toch weer een beetje moeizaam:

Maar Ik zeg u : Van elk ijdel woord dat de mensen zullen spreken zullen zij rekenschap geven op de dag des oordeels want naar uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden en naar uw woorden zult gij veroordeeld worden.

In de eerste plaats ook hier geldt: Jezus heeft het tegen de farizeeën. Tegen de niet gelovigen;

Hoe zit het met de gelovigen: math 25:32 e.v.de schapen dat zijn de gelovigen zet God aan zijn rechterhand ongeacht hun daden. Zij zijn schapen en daarmee gezegenden des Vaders. De bokken de niet gelovigen komen in het oordeel. Zij moeten rekenschap afleggen .

Dan zien we weer ook weer hoe nauwkeurig de Bijbel is. Want als we de gelijkenis van de talenten (ponden) bij Lucas lezen dan zegt de Koning (Jezus) tegen de slechte slaaf: Luc 27:22 Uit Uw eigen mond zal ik u oordelen slechte slaaf …

De conclusie is dan ook, dat Jezus het in dit stuk niet tegen de gelovigen heeft, maar tegen de ongelovigen en hen laat zien dat Zijn oordeel op de dag des oordeels over hen rechtvaardig is, omdat zij slecht hebben genoemd wat goed was en goed genoemd wat slecht is. Zij kunnen zich niet verschuilen achter wij wisten het niet, want zij hebben tegen God gekozen. Als je niet voor Jezus bent en dat waren ze niet dan ben je tegen. Het is geen onverwachts oordeel, waarmee ze geconfronteerd worden want ze worden geoordeeld op grond van wat ze zelf zeggen.

De gelovigen komen niet in het oordeel. Zij vertrouwen op Jezus en zijn daarmee schaap geworden en komen niet in het oordeel.

Amen